Een nieuwe benadering voor fietsroutes: van BFF naar LFF

In 2018 deed het Rekenhof een onderzoek over het BFF, het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk. De conclusies waren vernietigend. De realisatie van het BFF, zo’n 20 jaar eerder ontstaan met als doel om de belangrijkste wegen te voorzien van degelijke fietspaden, geraakt maar niet klaar. Aan het huidig investeringstempo zal het zelfs nog 50 jaar duren eer het voltooid geraakt. Het gaat dus traag, veel te traag. Daarom houdt A2Bmobility een pleidooi om het over een andere boeg te gooien en werk te maken van het LFF in plaats van het BFF.  “Bottom up in plaats van top down.”

Het BFF is zo’n 20 jaar geleden bedacht met de bedoeling om een netwerk van verbindingen te maken voor functionele verplaatsingen. Het moest de Vlamingen aanmoedigen ook de fiets te nemen voor verkeer naar het werk, de school of de winkel. Het zou tegen 2012 voltooid zijn. Helaas… minder dan een derde van de fietspaden op het bovenlokaal netwerk voldoet aan de kwaliteitsstandaarden. Nog 3.637 kilometer wachtte in 2018 op aanleg en 4.444 kilometer op aanpassing.

De Vlaamse Overheid is een paar jaar geleden begonnen met de aanleg van fietssnelwegen. Deze moeten de steden en grote attractiepolen met elkaar verbinden. Een zeer mooi initiatief, al gaat ook deze realisatie traag vooruit, zeker in een aantal provincies. In feite wordt dit op termijn het snelwegennetwerk voor de fiets, zoals dat 50 jaar geleden voor de auto werd ontwikkeld. Ideaal voor de wat langere afstanden en zowel bruikbaar voor recreatief én bovenlokaal functioneel fietsverkeer.

Naast bovenlokale verplaatsingen zijn veel functionele verplaatsingen met de fiets vooral lokaal. Als we alle attractiepolen, zoals dorpskernen, scholen of sportvoorzieningen lokaal met elkaar verbinden via minstens 1 veilige en comfortabele fietsverbinding, dan maken we ook voor de kortere afstanden fietsen echt aantrekkelijk en veilig. Als we daar ook nog eens per gemeente 1 veilige en comfortabele verbinding met de dichtstbijzijnde attractiepool van de buurgemeenten aan toevoegen, dan krijgen we een lokaal functioneel fietsroutenetwerk, een LFF.

Er zijn een paar grote verschillen tussen het BFF en het LFF. Eerst en vooral is het geen pure fietspadenbenadering. De klemtoon ligt op een doorlopende en aangename verbinding en dat kan met of zonder fietspaden. In dorpskernen wordt er gebruik gemaakt van fietszones of fietsstraten. Buiten de kernen wordt er gekozen tussen wegen met fietspaden (al dan niet onderdeel van het BFF) of tragere en autoluwe wegen. Veel fietsers vinden minder drukke verbindingen veel leuker en aangenamer, op voorwaarde dat ze wel direct en doorlopend zijn. Ook delen van het fietsknooppuntennetwerk of het fietssnelwegennetwerk kan gebruikt worden.

In heel wat gemeenten komen we tot de vaststelling dat veel van die verbindingen eigenlijk al bestaan. Met een aantal “quick wins” en het opstarten van enkele grotere projecten kunnen gemeenten in enkele jaren tijd hun lokaal fietsnetwerk op orde krijgen. Soms zijn de routes alleen gekend door mensen die nu al vaak fietsen. Bewegwijzering kan het LFF verder bekend maken zodat ook anderen het leren ontdekken en gebruiken. Mits het netwerk voldoende fijnmazig is, kan iedereen waar hij of zij ook woont, snel aantakken op het netwerk voor de functionele verplaatsingen. 

Moet het BFF als concept dan op de schop? Zeker niet. Het blijft een waardevol tussenniveau tussen het LFF en de fietssnelwegen. Bovendien zullen delen ervan nodig zijn om het LFF mogelijk te maken. Maar door de focus meer op de gebruiker te leggen en meer te denken in routes dan in fietspaden, kunnen we het fietsen in Vlaanderen een flinke boost geven. Daar hebben we geen 50 jaar voor nodig.